Deze Grotten dateren waarschijnlijk van voor de tijd der Romeinen. Ze maken een geheel uit met de mergel- en silexgroeven van de Jekervallei. Men vindt ze in
dat dal ook terug in Sluizen, Boirs en Glaaien.
De grotten bevinden zich in Z.O.richting, te midden van een bosje op ongeveer 1100 m van de kerk. Daar bevindt zich de ingang van de "Grote Grot" of de grotten van
Hinnisdael, zo genoemd naar de vroegere eigenaars.
Daar men de grotten ook "kuilen" noemt, is het duidelijk dat de silex aanvankelijk aan de grond gewonnen werd. Pas later is men begonnen met de horizontale uitbating
via gangen. Het landschap aan de kuilen is hiervan een treffend voorbeeld. De grotten
vormen drie groepen van onderaardse, tamelijke ruime gangen, uitgezaagd in de bovenlaag
van de zachte Maastrichterse tufsteen, in de volksmond "mergel" genoemd. Deze korstzone
kon hier ontstaan omdat op deze plaats de beschermende zanden van het Tongriaan
ontbreken en aldus het Maastrichtiaan kon dagzomen.
Deze mergelgroeven zijn daarenboven de enige van het Scheldebekken, daar de andere groeven tot het Maasbekken dienen gerekend te worden.
De ontginning van deze steen gebeurde al in de Romeinse periode. Men gebruikte toen reeds de mergel voor de onderbouw der houten huisjes. Sommmige gebouwen zouden nu nog
dergelijke basisconstructies bezitten.
Wellicht, maar dan in mindere mate, werd daar ook de mergel gebruikt voor de constructie van ganse gebouwen. Zo veronderstelt men dat de vroegere burcht of kasteelhoeve
van Hinnisdael, die zich midden het grottengebied
bevond op een diepe rechthoekige, inzinking van het reliêf, gebouwd werd met grote mergelblokken. Tevens werd de basiliek van Tongeren gebouwd met mergel uit de groeven
van Vechmaal.
Ook de onderbouw van onze huidige kerk bestaat uit mergelblokken, afkomstig van deze groeven.
De laatste ontginnigsactiviteiten dateren immers van rond de tijd van de bouw van onze kerk
De mergel werd tevens gebruikt als teelaarde, vermits onze voorouders hun landerijen "mergelden" om de vruchtbaarheid van de bodem te bevorderen.
De hellingen en flanken van de grotten, die nu met struikgewas en kreupelhout bebost zijn, werden in de middeleeuwen als wijnbergen benut.
Door de aanwezigheid van deze groeven en door de ligging vormt Vechmaal een belangrijke overwinteringsplaats voor de insectetende vleermuizen,
naast nog tal van grotslapende
vleermuissoorten als de snorvleermuis, de grootoor en de dwarsoor.
Inderdaad , zo'n mergelgroeve vormt de ideale biotoop voor de vleermuis om de winter te overleven ; het is er rustig en er heerst het ganse jaar door een temperatuur die
schommelt tussen de +7 tot 10°C en een relatieve vochtigheidsgraad tussen de 96 à 100%.
Als de vleermuis rond oktober in zo'n mergelgroeve aankomt, daalt haar eigen lichaamstemperatuur tot deze van haar omgeving en haar hartslag van 600 tot 30 slagen
per minuut. Door dit mechanisme zal ze veel minder van haar vetreserves gebruiken en zo de winter
weten door te komen. In de winterslaap gestoord worden kan dan de dood betekenen omdat de vleermuis dan aan een grotere kadans gaat leven en de vetreserves uitgeput zijn alvorens
de slaap beëindigd is.
Omwille van de constante temperatuur kweekte men rond de jaren 1930-1940 tot de jaren 1950-1960 nog volop paddestoelen. Doch deze kwekerijen verdwenen
definitief met de panische angst die de bevolking trof bij het ongeval van 23 december 1958 in het nabije Zichen toen de Roosberg instortte en 18 mensen er de dood
vonden. De talrijke waterputten, in feite verluchtingskokers
met een puntvormig deksel, getuigen hier en daar nog in het veld van de oude grotten in de ondergrond. Ook waren er verschillende andere ingangen in Vechmaal waarvan er
enkele zijn ingestort of dichtgemaakt. Zo vindt men in dit deel van Vechmaal gangen genoeg onder de grond tot in de gemeenten Zichen-Zussen-Bolder, Valmeer, Kanne en andere...