De kapel zou gebouwd zijn waar eertijds een Romeinse villa stond. Hiervan kan men nog overblijfsels terugvinden vermits er in de muren Romeinse pannen verwerkt
zijn. De kapel is toegewijd aan de H. Petrus en werd reeds voor 1296 opgericht door de bewoners van deze kleine heerlijkheid om alzo in de mogelijkheid
te zijn ter plaatse mis te horen op zon- en feestdagen.
De kapel werd gebouwd met vierkante silexstenen in regelmatige lijnen en is voorzien van een rechte koornis uit de 13e eeuw. Er zijn aanduidingen dat er vroeger grote vensters
in de muren gestaan hebben die echter nadien weer toegemetseld werden en vervangen door de huidige kleinere rechthoekige vensters. De kapel werd in 1554-1556
gerestaureerd, zoals blijkt uit het jaartal 1554 dat boven de ingangsdeur met ingedrukte boog is aangebracht. De aandacht wordt vooral getrokken door het
gedeeltelijk Romaans - Gotisch koor en de buitenmuren, waaraan men duidelijk kan zien dat de huidige kapel herhaaldelijk werd gerestaureerd. In het koor zijn nog
sporen van vroegere rozetten merkbaar.
De kapel was reeds van oudsher een zeer druk bezocht bedevaartsoord, waar men de H. Catherina aanriep tegen de pest en huidziekten. Vooral wordt deze heilige
nog aangeroepen voor genezing van een naar haar genoemde uitslag, het rad van Sint-Katrien, een huidaandoening in de vorm van een niet gesloten rad.
Deze parel van Horne, eigendom van de Gemeente, staat op een perceel grond, 1 a 20 ca groot en gekadastreerd, afdeling vechmaal , sectie A 359a. Op 20 december
1974 werd dit monument officieel geklasseerd als beschermd gebouw. Door een ministerieel decreet van Nederlandse Cultuur en Vlaamse aangelegenheden werd zij
als dusdanig erkend. Nochtans had de toenmalige burgemeester de fusiegemeente Heks zich ertegen verzet om financiële redenen. Voor een geklasseerd gebouw voorziet
de wet immers dat, bij herstellingswerken, de gemeente 20% der onkosten voor haar rekening moet nemen , terwijl 20% wordt overgedragen door de provincie en 60% door de
staat.
Dit verzet mocht echter niet baten want op 8 april van 1974 kwam er gunstig advies van de Bestendige deputatie van Limburg, gevolgd op 21 november 1974 door het gunstig
advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen.
Om U een idee te geven over de vroegere toestand van de kapel en het interieur, nemen we enkele gegevens over uit de Visitationes of bezoeken die de verantwoordelijken
brachten aan de kapel in de loop van de 17e-18e eeuw.
Uit deze verslagen blijkt dat in 1628 het koor vernield was en het altaar afgebroken. Daarom had men aan de linkerkant een ander altaar geplaatst dat enige versiering
droeg. Op aanvraag van een edele heer werd op dit altaar een erg geschonden schildering van een remonstrans geplaatst. In 1666 was het koor opnieuw hersteld
alsook het hoofdaltaar dat nu echter voorzien was van een draagbare steen die als tafel dienst deed. Ook was het oude tabernakel, waarop de schildering met de remonstrans
en het opschrift -Ecce panis angelorum- (Zie het hemels brood) waren aangebracht, vervangen door een ander van meer recente datum.
In 1763 was het altaar voorzien van 2 altaardwalen en een dekkleed. Verder waren er verschillende boeken aanwezig om de mis te lezen, 2 antipendia, doch geen fakkels
,waardoor de Kerkfabriek in gebreke bleef. Het tabernakel daarentegen was langs de binnenkant met mooie zijden stof versierd.
In 1763 waren er weinig H. Vaten aanwezig. De remonstrans en de vaten voor het H. Oliesel ontbraken. Er was slechts 1 zilveren kelk met koperen voet alsoook
een koperen ciborie, waarvan het dekkleed zodanig geschonden en losgeraakt was dat ze onmogelijk voldoende kon afgesloten worden. In de ciborie bevonden zich twee
hosties.
Tevens stellen we vast dat de bedienaar van de kapel in 1666 slechts over 1 kazuifel beschikte, dat bezit van de Kerkfabriek was. In 1700 echter waren er
meerdere gewaden aanwezig: in een koffer aan de evangeliezijde bevonden zich 2 kazuifels, een albe en 2 dekkleden. In 1763 waren er 3 kazuifels van verschillende
kleur, 6 dekkleden, 3 alben en 1 dekmantel in de kapel aanwezig.
Er was geen doopvont aangezien het een kwartkerk was. In de toren bevonden zich in 1700 drie klokken, waarvan er 1 in goede staat was.
In 1655 was het kerkhof langs alle kanten open , zodanig dat het kleinvee er vrij op rondliep. Hierover was de aartsdiaken J. Tabollet ten zeerste onstemd
en maande de gemeenschap van Horne aan daarin verandering te brengen, zo niet zou de fiscus moeten optreden om deze onduldbare toestand te bestraffen. Deze
aanmaning heeft uitwerking gehad want in 1666 was het kerkhof omringd met grachten en in 1700 met opgehoopte aarde, zodat het voldoende afgesloten was zonder palen.